Jan Cremer, schilder, schrijver en rebel

 

Cremer
Jonge Jan Cremer met fan
 

Om iets zinnigs over de schrijver Jan Cremer te kunnen zeggen moeten we eerst naar de tijd kijken waarin hij is geboren. Op 20 april 1940 zag Jan het levenslicht in Enschede. Niet echt een jongen van de grote stad dus.

Enschede was een kleine provinciale textielgemeente. Belangrijker was de datum: april 1940, een maand voor de Duitse inval in Nederland. Speling van het lot: tegelijk jarig met Adolf Hitler. De Duitse dictator die een greep naar de wereldmacht deed met z’n Blitzkrieg en later de inval in Rusland.

Omstandigheden die op dat moment niet tot het ontluikende bewustzijn van de baby Cremer zullen zijn doorgedrongen. Maar toch is het een feit dat de oorlog wel degelijk in het gezin z’n sporen na liet. Ten eerste omdat z’n vader twee jaar later overleed. Z’n Hongaarse vrouw en zoontje alleen achter latend. Een moeder die nauwelijks Nederlands sprak, bijna met geweld door Cremer senior, een ingenieur, naar Enschede werd gehaald vlak voor de oorlog.

In 1945 werd z’n ma, kort na de bevrijding, beschuldigd van het heulen met de vijand. Wat helemaal niet zo was. Maar de beschuldiging, gebaseerd op roddel en achterklap, zorgde er wel voor dat de Binnenlandse Strijdkrachten met veel geweld een inval deden bij Jan thuis. Hij en z’n moeder werden toen drie weken lang, onder primitieve omstandigheden, in een kamp voor NSB’ers opgesloten. Eenmaal weer vrij bleek hun huis geplunderd. Vrijwel alle meubels verdwenen, net als de meeste kledingstukken, zelfs de gordijnen waren van de ramen gehaald.

Van een warm nest, een veilig thuiskomen, was daarna ook niet echt sprake meer. Het maakte van hem een jongen die snel, waarschijnlijk veel te snel, op eigen benen leerde staan. Wat het willen worden van een vrijgevochten, de schildershemel bestormende kunstenaar niet bepaald in de weg stond. Hij stond zogezegd z’n mannetje wel als scheppende bohemien.

De wereld werd z’n onderwerp met de van z’n vader overgeërfde reislust. Op jonge leeftijd, nog maar amper volwassen, trok hij naar Amsterdam en Den Haag. Het avontuur tegemoet. Verder ging het met de duim omhoog richting Parijs. The place to be.

Nee, een moederskindje kan hij zeker niet genoemd worden. Wel een knaap met een roeping: het worden van een beroemd schilder, eentje die niet keurig met een penseeltje een portret of landschap schilderde, maar met verf smeet, net als z’n grote voorbeeld Karel Appel, bij wie hij een tijdje op z’n atelier met een bezem het linnen bewerkte. Wat hem heel bescheiden al wat bekendheid gaf. Ad rem ook. Het liefst de kunstminnende goegemeente op de kast jagend met z’n uitspraken. Zo zei hij een keer tegen een journalist: ‘Rembrandt? Wie is dat? Ik heb geen verstand van sport.’

 

 

Als verf vretende jonge wilde had hij al snel in kunstkringen een naam opgebouwd. Alleen had dat kleine genie in de dop nog geen enkele bekendheid op schrijfgebied. Maar getuige de brieven uit die tijd, viel toch al een zeker soort van talent te herkennen in het direct en raak typeren van mensen en dingen, treffende omschrijvingen, althans voor wie daar oog voor had. Er broeide zogezegd iets in hem dat er hoe dan ook uit moest komen. De begeerte, de wil, zich te uiten. Men zou weten wie hij was als schrijver en niet zo’n klein beetje ook. Maar voorlopig bleef het bij het vol smijten met verf van een stuk canvas en de kleuren letterlijk van het doek dropen.

Toen de saaie en sombere jaren vijftig voorbij waren, de povere jaren van opbouw en herrijzenis, en een nieuw decennium aanbrak stond Jan Cremer als het ware in de startblokken klaar om de Nederlandse literatuur eens goed wakker te schudden met z’n pennenvruchten. Kwast werd pen en de pen een typemachine. Hele dagen zat Jan het toetsenbord te bewerken in een onbewoonbaar verklaarde woning in de oude Jodenbuurt van Amsterdam. Of waar dan ook. Een berg aantekeningen met zich meeslepend in de voering van z’n jack.

De losse notities werden met de hulp van bevriende schrijvers en dichters, zoals Hans Sleutelaar en Simon Vinkenoog, geordend. Tot veler verbazing kwam er een heuse roman uit te voorschijn: de schrijver als hoofdpersoon die het als een tweede James Dean tegen de rest van de wereld opnam. En dat precies op een moment, 1964, dat er sprake was van een breukvlak in het nieuwe decennium, toen de naoorlogse hoop op een betere wereld definitief de grond in werd gestampt na de brutale moord op president John F. Kennedy. Een gebeurtenis die voor een aardverschuiving zorgde in de hoofden van de mensen.

Die grepen iedere gelegenheid aan om de asgrauwe met bloed doordrenkte werkelijkheid de rug toe te keren, een afweerreactie van ongekende omvang teweegbrengend, waar zowel in de literatuur als in de muziek handig op in werd gespeeld.

Johnson zat nog maar net in het Witte Huis of de Beatles veroverden met hun sound Amerika en de rest van de wereld. Gevolgd door The Stones en tal van andere bands die in het breukvlak van de tijd als nieuw land, als cultureel grondgebied omhoog werden gestoten uit de oude vergeten lagen van een nu pas echt voorbij decennium.

Popart werd een hoofdstroming in de kunst. De minirok een geliefd mode attribuut. Men wilde anders zijn. Uitdagend eruit zien aan de rand van de afgrond van een atomaire oorlog. Kunst werd een uitlaatklep voor opgekropte emoties. Een massaproduct in de vorm van posters en bedrukt te dragen textiel met allerhande afbeeldingen, bijvoorbeeld een T-shirt met het portret van een Zuid-Amerikaanse vrijheidsstrijder. Che Guevara die de icoon van een generatie werd.

Jan Cremer bereikte met z’n gelijknamige egodocument nog niet eerder vertoonde verkoopcijfers. Er volgde druk op druk. Een oplage die al snel in de honderdduizenden liep. Als het ware een voorschotje nemend op de nieuwe tijd die voor iedereen onder handbereik leek te liggen toen kunst en politiek een grondige verandering onderging.

Inspraak en democratie. Weg met de gevestigde orde. Met autoriteit en bedillerig gezag van boven. Een universiteit was niet langer een elitaire leerfabriek voor toekomstige leidinggevenden bij de overheid en in het bedrijfsleven, maar een discussieplatform voor maatschappijkritische geesten.

 

 

Ondertussen werd Jan Cremer ook internationaal erkend als schrijver en rebel. On-Nederlands beroemd zelfs. Maar in de weg naar de top liet hij ook de nodige vrouwen ongelukkig achter. Gebroken harten bij de vleet. Bijvoorbeeld z’n geliefde Loesje Hamel. Iets waar Jan Cremer na al die jaren alsnog rekenschap voor aflegt als schrijver en als minnaar. Daar kan men alleen maar bewondering voor hebben. Ook gezien het feit dat hij van een gewone jongen, een Enschedees jochie uit een gebroken gezin, een alom gewaardeerd kunstenaar werd met exposities in de grote musea en bekende kunstgaleries. Iemand die misschien geen verstand van sport heeft, maar toch zeker een groot en veelzijdig artiest genoemd kan worden.

Zie ook de E-leestip van de maand januari: Sirenen.